De ondernemers hebben hun wensen op tafel gelegd, de nieuwe colleges zijn aan zet. In acht politieke manifesten benoemde de WBG samen met lokale ondernemersverenigingen wat er nodig is voor een sterk ondernemersklimaat. Hoe kijken de zeven wethouders Economische Zaken naar de komende vier jaar? Op veel punten zijn ze het eens. Maar juist de verschillen zijn interessant.

Voor deze nieuwe ronde spraken we met Jeroen Schilder (Koggenland), Idso Brouwer (Drechterland), Vincent Buis (Opmeer), Bas de Wit (Medemblik), Emile van Marle (Enkhuizen), Yousuf Yousufi (Hoorn) en Joey Leeuwinga (Stede Broec).

Eerst de verbinding
Eén boodschap uit de manifesten komt in bijna ieder gesprek terug: ondernemers willen serieus genomen worden, sneller
duidelijkheid krijgen en eerder aan tafel zitten. “Je kunt economie niet besturen vanuit het gemeentehuis,” zegt Schilder. Brouwer is het daarmee eens. “Niet alleen maar overleggen om het overleggen. Echt samen dingen doen.”

Die behoefte herkennen de wethouders ook uit hun eigen praktijk. De Wit liep als nieuwe wethouder zelf winkelgebieden binnen om te horen wat er speelt. Schilder gaat graag een broodje eten bij ondernemers en Yousufi wil ondernemers juist spreken vóór een formeel traject begint. “Er is overal sprake van een soort kloof tussen ondernemers en overheid. Kijken of we die kloof kunnen overbruggen.”

De vorm verschilt per gemeente. Opmeer heeft een agrarische klankbordgroep, Enkhuizen structureel ondernemers overleg en Stede Broec wil met bedrijfsbezoeken en één duidelijk aanspreekpunt de lijnen kort houden. Leeuwinga: “We moeten niet over ondernemers praten, maar samen met ze aan tafel zitten en werken aan oplossingen.”

Minder praten, meer doen
Luisteren is één ding, leveren iets anders. Van Marle bleef uit het manifest vooral de oproep “minder praten, meer uitvoeren” bij. “We kunnen meer denken vanuit mogelijkheden in plaats van onmogelijkheden.”

Buis heeft daar in Opmeer een praktisch instrument voor: het 100-dagenloket voor ruimtelijke initiatieven. “Als ondernemer of ontwikkelaar weet je dan waar je rekening mee moet houden.” Brouwer legt het accent op eerlijkheid. Niet iedere procedure kan korter, maar je kunt wel duidelijk zijn over wat iemand kan verwachten. “Geen beloftes doen die we niet kunnen waarmaken.”

Hoorn zoekt de winst vooral aan de voorkant. Met vooroverleg en de Omgevingstafel wil Yousufi eerder bekijken wat kansrijk
is, voordat een ondernemer veel geld in een plan steekt. Zo wordt dienstverlening niet iets achteraf, maar onderdeel van het proces.

Ruimte dwingt tot kiezen
Over één knelpunt twijfelt niemand lang: ruimte. Bedrijven willen groeien, gemeenten moeten woningen bouwen en ook energie, verkeer, natuur, landbouw en recreatie vragen plek. In Hoorn is die afweging nadrukkelijk stedelijk. Zevenhuis is belangrijk voor regionale bedrijvigheid en werkgelegenheid. Tegelijk ligt er een grote woningbouwopgave, die in Hoorn vooral binnenstedelijke ontwikkelingen met zich meebrengt, zoals in de Poort van Hoorn. In de andere zes gemeenten speelt daarnaast het agrarische en landelijke karakter mee. Brouwer benoemt die spanning duidelijk: ondernemers willen ruimte voor bedrijvigheid, maar Drechterland wil ook landschap, leefbaarheid en verkeersveiligheid beschermen.

Medemblik koppelt economische groei nadrukkelijk aan werkgelegenheid. “Banen, banen, banen,” zegt De Wit. Wie woningen bouwt zonder ook banen te creëren, vergroot volgens hem alleen maar de dagelijkse stroom richting Amsterdam. Rond uitbreiding van het WFO-terrein komen die ambities samen met verkeer, energie en leefbaarheid.

Schilder wil bij nieuwe bedrijfsruimte daarom niet alleen tellen hoeveel hectares beschikbaar zijn. De vraag is volgens hem vooral welke bedrijven werkgelegenheid, kennis en economische waarde toevoegen.

Bouwen op eigen kracht
Niet iedere gemeente hoeft hetzelfde te willen zijn. Sterker nog: veel kansen liggen juist in het verder uitbouwen van wat er al is. “Ik geloof sterk in bestaande ecosystemen sterker maken,” zegt De Wit. “Je kunt wel iets nieuws beginnen, maar in de praktijk werkt het vaak niet omdat de juiste voorwaarden er niet zijn.” Hij wijst onder meer op de sterke agri-foodsector, retail/logistiek, maakindustrie en het toerisme.

Van Marle ziet datzelfde rond Seed Valley, naast de nautische sector, havens en maakindustrie. “Seed Valley is uniek voor onze regio.” Ook Schilder kijkt nadrukkelijk naar sectoren waarin Westfriesland al een stevige basis heeft, zoals agri en food, en ziet daarnaast kansen om zorg, technologie en innovatie veel sterker met elkaar te verbinden

Buis wil vervolgens ook het gezamenlijke verhaal beter vertellen. “Westfriesland als merk zien. Dat hoeft niet alleen toeristisch, maar op alle vlakken. We hebben hier prachtige bedrijven zitten. Bij dat op de kaart zetten hebben we ondernemers hard nodig.” Juist de verschillen kunnen daarbij een kracht zijn: van de stedelijke economie van Hoorn tot Seed Valley, maakindustrie, toerisme en het agrarische buitengebied. Niet alles hoeft overal. Wel helpt het als Westfriesland beter laat zien wat het samen in huis heeft.

Eén regio, meer gewicht
Zodra het over bereikbaarheid, netcongestie, arbeidsmarkt of bedrijventerreinen gaat, verdwijnen gemeentegrenzen snel. Leeuwinga noemt gezamenlijk lobbyen daarom dé kans die Westfriesland niet mag laten liggen. De gevolgen raken volgens hem “van de vrachtwagenchauffeur en bloembollenteler tot de marktkoopman”.

Schilder kiest naar eigen zeggen vrijwel altijd voor het regionale belang. “Een sterk Koggenland begint met een sterk Westfriesland.” De Wit zegt hetzelfde net anders: “Het succes van de buurgemeente is ook ons succes.”

Hoorn neemt soms een bijzondere positie in. Als centrum- en G40-gemeente kan Hoorn volgens Yousufi op bepaalde dossiers zelf de lead pakken. “Soms is het ook nódig om de lead te pakken om je als regio te positioneren in relatie tot andere deelregio’s in Noord-Holland Noord of de Metropool Regio Amsterdam.” Maar ook dan blijft afstemming en samenwerking met elkaar natuurlijk nodig.

Ook ondernemers zijn aan zet
Samenwerken betekent niet dat alle verantwoordelijkheid bij de overheid ligt. De wethouders leggen ook iets terug bij ondernemers: organiseer je, investeer in verduurzaming en veiligheid, zoek elkaar op rond energie en denk mee over arbeidsmarkt en talent. Buis ziet dit in Opmeer al veel gebeuren, bijvoorbeeld dat bedrijven elkaar al helpen bij energieproblemen.

Van Marle verwacht dat ondernemers zelf bijdragen aan kwaliteit, uitstraling en gastvrijheid. Yousufi zou graag zien dat ondernemers en gemeenten en partners vaker met één gezamenlijk verhaal komen, dit vraagt om nog intensiever samenwerken.

De manifesten hebben daarmee vooral iets in beweging gezet. De wethouders zien veel van dezelfde opgaven, maar de oplossing hoeft niet overal hetzelfde te zijn. Precies daar ligt de nieuwe ronde: lokaal doen wat lokaal kan, regionaal samen optrekken waar dat nodig is en ondernemers niet alleen zien als doelgroep, maar als partner. En die manifesten? Die geven perfect sturing aan de overlegagenda.